1949

NEDERLANDSE GROEP VAN VIOOL- EN STRIJKSTOKKENMAKERS

 

Handwerk, ambachtelijk, het gildewezen, woorden die tot ieders verbeelding spreken, evenals leerling, gezel en meester. Het zijn begrippen die je ook nu nog makkelijk met de vioolbouwer kunnen associëren. Traditie is een woord dat in hetzelfde rijtje thuishoort. Voeg daar het begrip kunst aan toe en je zou met deze ingrediënten de vioolbouw aardig kunnen omschrijven.

Hoewel het gildewezen niet meer bestaat zoals in het verleden, is de traditie ervan nog steeds sterk aanwezig. Zo zie je vaak dat het vak van vader op zoon overgaat, in ieder geval van meester op leerling. Door deze overlevering is er eigenlijk nooit iets van de vioolbouwkunst verloren gegaan.

Toch zoekt men nog steeds naar de zogenaamde "geheimen" van de oude meesters, vooral als het gaat om hoe zij lakten, terwijl men doorgaans weet hoe de lak is samengesteld. Zo zal de ene vioolbouwer met dezelfde ingrediënten iets kunnen maken, wat voor de ander dan als een "geheim" overkomt.

Na de dood van mijn vader, bij wie ik de eerste stappen op weg naar de vioolbouw zette, ontdekte ik dat, hoewel we heel veel over de vioolbouw praatten, samen in zijn atelier werkten, lak maakten en kleurstoffen fijnmaalden, ik zijn lak, als ik dat zou willen, niet zo kan maken als hij dat deed. Hij nam zijn "geheim" onbedoeld mee!

Toen in 1949 in Den Haag het Concours Hendrik Jacobsz plaatsvond, een internationaal vioolbouwerscongres, troffen vele vioolbouwers uit de hele wereld elkaar. Behalve een wedstrijd - wie de mooiste, beste viool, alt, cello of contrabas had gebouwd - was er een uigebreide tentoonstelling.

Ook de in Nederland wonende en werkende vioolbouwers ontmoetten elkaar daar in Den Haag en dat was toch wel iets bijzonders, want wanneer kwam je na de Tweede Wereldoorlog in aanraking met je collegae? Enkele vioolbouwers namen toen het initiatief om een groep op te richten, en op 23 juli 1949 was de Nederlandse Groep van Vioolbouwers een feit! De bij de oprichting aanwezige vioolbouwers waren onder anderen L. Blitz, E Eberle, F Jaenecke, P Kunze, M Möller, en J. Stüber. Het gekozen bestuur bestond uit M Möller jr., voorzitter, E. Eberle, secretaris en L. Blitz, penningmeester. Men had ontdekt dat er best met elkaar te praten viel en dat men zelfs bereid was ervaringen uit te wisselen, zowel over de bouw als over de restauratie en expertise van de instrumenten.

De eisen van toelating werden vastgesteld en deze hielden en houden nog steeds in dat een aspirant lid een degelijke vakopleiding heeft genoten, als vakman erkenning heeft verworven, eer en goede naam heeft bewezen en ten minste drie jaar in Nederland als viool- en/of strijkstokkenmaker is gevestigd. Deze toelatingseisen worden door alle leden beoordeeld.

Lag er in de naoorlogse jaren vooral de nadruk op de reparatie, restauratie en handel in violen, gaandeweg veranderde dit en zijn de nieuwe gevestigde vioolbouwers zich meer gaan toeleggen op het bouwen van instrumenten, zodat men kan zeggen dat er in Nederland zowel op gebied van de nieuwbouw als op het gebied van de restauratie zeer bekwame vakmensen werkzaam zijn.

De vioolbouw in Nederland is een volop levend beroep, waaraan de NGV onder meer door middel van haar beoogde doelstelling "het vioolspelend publiek vakkundig en eerlijk voor te lichten" een positieve bijdrage wil en zal leveren. Het lidmaatschap van de NGV geeft de musici de zekerheid te maken te hebben met een erkende vioolbouwer die garant zal staan voor alle door hem/haar uitgevoerde werkzaamheden, of het nu gaat om de bouw van een nieuw instrument, restauratie en expertise of levering van een oud instrument.

De Nederlandse Groep van Vioolmakers heeft onlangs een naamsverandering ondergaan: in verband met de toetreding van een stokkenmaker, die uitlsuitend strijkstokken maakt, staat de NGV nu voor "Nederlandse Groep van Viool- en Strijkstokkenmakers". De groep is statutair gevestigd te Amsterdam en aldaar ingeschreven bij de Kamer van Koophandel.

Jaap Bolink, voorzitter NGV
1999